Home | Vragen over bridge | Vragen over arbitrage | Kaart wijzigen na ´onopzettelijke aanduiding´...
Kaart wijzigen na ´onopzettelijke aanduiding´...
woensdag 11 januari 2012 07:00

Vragen aan onze arbitrage expert NBB arbiter Martin Sinot 

Beste Martin,

Art 45C 4b luidt: Tot zijn partner een kaart gespeeld heeft, mag een speler een onopzettelijke aanduiding wijzigen, mits hij dit zonder denkpauze doet Zou je een paar voorbeelden kunnen geven van "onopzettelijke aanduidingen"?
Als een leider tegen de dummy zegt: "A, eh, ik bedoel 2" en hij doet dit zonder opnieuw adem te halen, mag 2 dan gespeeld worden? Ik vind van niet, A is duidelijk gezegd en dient naar mijn mening gespeeld te worden. Of zie ik het verkeerd?
Graag je mening,

Met vriendelijke groet,
Dick van den Nouland

Antwoord Martin Sinot

Beste Dick,

We hebben het hier over een onopzettelijke aanduiding. Dat wil zeggen, je bedoelt een bepaalde kaart te spelen, maar uit je mond komt iets anders (verspreking). Dit is dus iets heel anders dan iemand die van gedachten verandert, want dat herstellen we niet. Een voorbeeld van een onopzettelijke aanduiding zou kunnen zijn als iemand moeite heeft met de taal, of met spreken in het algemeen. Specifieke voorbeelden zijn echter lastig te geven; de arbiter zal altijd moeten beoordelen in hoeverre er sprake is van een verspreking, en bij de geringste twijfel zal hij de oorspronkelijke aanduiding handhaven. Ik kan dan ook niet zeggen of in uw voorbeeld de ene of de andere kaart gespeeld is; op het eerste gezicht zou je inderdaad de eerste kaart zeggen (en waarschijnlijk zou ik ook zo beslissen), maar bij beoordeling van de situatie ter plaatse zou ik tot een ander oordeel kunnen komen.

Hoe snel de fout ontdekt wordt door de overtreder is, misschien enigszins verrassend, géén criterium. Er is een geval bekend van iemand die een kleintje uit de hand speelde en de “vraas” uit de dummy commandeerde (in dummy lag AV van die kleur). Een kortere denkpauze bestaat waarschijnlijk niet; toch moest deze persoon de vrouw spelen; hij had een fractie te laat in de gaten dat de linker tegenstander de heer had gelegd. Op het moment van de aanduiding wilde hij dus de vrouw spelen, en het was dus geen onbedoelde aanwijzing. Dit toont tevens aan dat het criterium “geen weldenkend mens zou de vrouw onder de heer gooien” eveneens niet van toepassing is. Ongetwijfeld is die opmerking juist, maar op het moment van aanduiden had de leider die heer niet gezien. Dat is heel spijtig, maar wel voor eigen rekening.

Hoe een arbiter kan herkennen dat het om een verspreking gaat? Vaak doet de leider dan iets geks (let op: hiermee bedoel ik dus niet een idiote speelwijze!). Bijvoorbeeld, om even uw voorbeeld te nemen: de leider zegt hartenaas (maar bedoelde schoppentwee). Rechts bekent. Leider verbaasd: “Heb je geen schoppen meer? Je had er toch minstens zeven?” Hieruit blijkt dan dat de leider in elk geval in de veronderstelling was dat hij schoppen had voorgespeeld, dus dat kan de arbiter als argument gebruiken dat we hier te maken hebben met een verspreking.

Maar in het algemeen is het erg lastig om een verspreking aan te tonen, en meestal zal de arbiter de eenmaal aangeduide kaart als gespeeld hanteren. Uiteraard aangenomen dat de eerste aanduiding geen overtreding betekent (bijvoorbeeld een verzaking), want die wordt natuurlijk wel hersteld.

Met vriendelijke groet
--
Martin Sinot

 

Aanraders

Doe zelf mee!
Stuur ons uw verhalen
Heeft u een leuk verhaal
in uw clubblad?
Stuur het ons!
Bridgeles van Ed Hoogenkamp
bridge boeken, bridgematerialen, bridgecadeaus