| Hoeveel punten voor een preëmpt? |
| zaterdag 06 maart 2010 07:00 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hoi allemaal, Joan Antwoord Ed Hoogenkamp (Zuid) Beste Joan, De algemene richtlijn: minder dan tien punten, een zevenkaart en de meerderheid van je punten in de lange kleur. Ik houd het kort, zodat Peter nog lekker uitgebreid aan het woord kan. :-) Un saludo desde Barcelona
Antwoord Peter van der Linden (Noord) Beste Joan, Het antwoord op je vraag volgt uit het je realiseren van doel en gevaren van een preëmptieve opening (of volgbod, trouwens, daarvoor geldt grotendeels hetzelfde). Hét doel is het storen van het bieden van de tegenpartij door biedruimte weg te nemen. Daarnaast is het handig als je preëmptieve bod je niet belemmert zélf een goed contract te bereiken. Een lucratieve uitnemer is overigens ook een 'goed contract'. De gevaren die aan je preëmptieve bod kleven zijn: - Te veel downgaan, al dan niet gedoubleerd. Dat betekent dat je te weinig speelslagen had voor je opening. - Downgaan terwijl 'zij' geen manche konden maken. Je gaat dan nutteloos down. Je kunt immers ook zinvol down gaan, namelijk als je daarmee minder verliest dan als zij een contract gespeeld hadden. Het volgende cursieve stukje heb ik gekopieerd uit mijn antwoord op een andere vraag, namelijk 'Hoe sterk moet je zijn voor een volgbod op éénniveau?' (ook wel nuttig om te lezen, klik hier). Aan een volgbod (gewoon, zonder sprong, of preëmptief, met sprong) en een preëmptieve opening kun je namelijk dezelfde eisen stellen wat betreft het aantal benodigde speelslagen, dat is het aantal slagen dat je in je eentje zult maken als jouw lange kleur troef is. Voor volgbod en volgbieder kun je hieronder dus ook preeëmptieve opening en preëmptieve openaar lezen. Het volgbod moet geen overdreven risico op gevoelig gedoubleerd downgaan inhouden. Ofwel: de hand moet voldoende speelslagen bevatten. De klassieke opvatting is dat de volgbieder gedoubleerd zoveel down mag, dat hij minder negatief scoort dan als de tegenpartij een manche maakt. Dat leidt tot de 'Regel van Twee en Drie': - Niet tegen wel kwetsbaar zijn vier speelslagen genoeg (drie down gedoubleerd is -500, 'hun' manche is -600 of erger). - Bij niemand kwetsbaar zijn vijf speelslagen nodig (twee down = -300, hun manche = -400). - Bij allen kwetsbaar zijn ook vijf speelslagen nodig (twee down = -500, hun manche = -600) maar het loont iets voorzichtiger te volgen dan bij niemand kwetsbaar omdat bijvoorbeeld twee down terwijl zij geen manche kunnen maken hier duurder is. - Bij wel tegen niet kwetsbaar zijn zes speelslagen nodig. Deze eisen zijn echter wat rigide, vrijwel niemand houdt zich er letterlijk aan. Vaak riskeren we dus een downslagje te veel... Bij dat hele verhaal over hoeveel down je 'mag', gaan we er van uit dat partner weinig heeft en de tegenpartij een manche kan maken. Dus moet je zelf niet te veel 'verdedigende kracht' hebben, anders kan de tegenpartij misschien geen manche maken... Je 'moet' (ik hou niet van dat woord, het gaat hier om adviezen voor goed bieden, er 'moet' niets in bridge, behalve dan de Spelregels eerbiedigen, zoals bekennen) dus je speelslagen geheel of bijna geheel in je lange kleur hebben. Zo komen we op de vaak geformuleerde eisen voor een preëmptieve opening: 1. Een lange kleur: als je op tweeniveau opent een zeskaart, als je op drieniveau opent minstens een zevenkaart (bij gunstige kwetsbaarheid − 'niet tegen wel' − bij uitzondering een zeskaart). 2. Voldoende speelslagen volgens de Regel van Twee en Drie. 3. Hoogstens een punt of 10 (dit is maar een indicatie, maak er geen halszaak van). 4. Je punten vooral in die kleur. Daaruit volgt direct dat je hoogstens pakweg twee 'verdedigende slagen' mag hebben (slagen die je ook maakt als zij spelen). Twee is eigenlijk al veel... Het maakt verschil in welke hand je preëmptief opent. Globaal kun je stellen dat je preëmptieve opening: - In de tweede hand 'gezond' moet zijn want er heeft al een tegenstander gepast. De kans is daardoor groter geworden dat je partner sterk is. Hij moet van je hand opaan kunnen bij de keuze: manche bieden of passen? - In de derde hand 'mag alles' zegt men wel. Partner heeft gepast, dus bied zo hoog als je durft. - In de vierde hand is een opening op twee- of drieniveau niet 100% preëmptief omdat beide tegenstanders al gepast hebben, je hoeft ze er niet uit te drukken. Het is dus handig zo'n opening op een nauwkeurig omschreven aantal speelslagen te doen en wat meer kracht dan in de andere handen. Zo'n opening is dus wat meer inviterend voor de manche. Wat voorbeelden, steeds is de vraag wat zuid het beste kan openen (áls hij opent) in de eerste hand.
Zuid 1 (zes speelslagen) is een schoolvoorbeeld van een 3♠-opening. Alleen wel tegen niet kwetsbaar zou je te veel down kunnen gaan...
Zuid 4 heeft een kleine acht speelslagen, dat is te veel voor een 3♠-opening (tenzij 'wel tegen niet' misschien). Hij zou dus 4♠ kunnen openen. Dat zal vaak goed uitpakken maar gezien de twee azen (daar zal partner niet echt rekening mee houden) zou hij een slem kunnen missen als partner een aardige hand heeft. Daarom zullen veel spelers 1♠ openen met het plan 4♠ te herbieden. Het is moeilijk te zeggen wat het beste is, ook een beetje een kwestie van stijl. Heeft Ed toch weer gelijk gekregen met zijn 'Ik houd het kort, zodat Peter nog lekker uitgebreid aan het woord kan.' Ik leer het ook nooit: pijn in mijn vingers van het typen terwijl señor H. in slaap gesukkeld is op het terras van zijn haciënda! En hils fra Orkanger |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||


