|
zaterdag 18 juni 2011 07:00 |
|
In deze rubriek presenteren we twee speelfiguren die sterk op elkaar lijken. Er zijn echter verschillen. Zodanige verschillen zelfs dat dit invloed heeft op de speelwijze. Aan u de taak de verschillen te ontdekken en de bijbehorende speelwijze te bedenken. U hebt voldoende entrees in de zijkleuren om steeds te beginnen waar u wilt. | Figuur 1 | | | Figuur 2 | | ♦ | 3 2 | | ♦ | 2 | | | | | | | ♦ | H V 10 9 8 7 | ♦ | H V 10 9 8 7 6 |
De vraag voor beide speelfiguren is; wat is de optimale aanpak in SA om in onderstaande speelfiguren het maximale aantal slagen te maken?
Oplossing
Figuur 1: Begin met een kleine ruiten uit de dummy en leg in de hand ♦H. Juist omdat u ♦H in de gesloten hand hebt is het moeilijk voor west om ♦A te duiken als hij die heeft. Neemt west de slag met ♦A, dan snijdt u in tweede instantie ♦B over oost. (U speelt ♦3 uit de dummy en legt in de hand ♦10). De kans dat ♦B goed zit is groter dan dat hij valt onder ♦V. Als ♦H de slag maakt, gaat u er van uit dat oost ♦A heeft. (west zal immers niet vaak ♦A duiken; hij weet niet wie de vrouw heeft)U speelt weer een kleine ruiten uit de dummy en als oost weer klein legt, speelt u ♦V in de hand. U hoopt op een 3-2 zitsel in ruiten met ♦A bij oost. Figuur 2: Omdat u maar een keer uit de dummy kunt spelen is ♦H of ♦V leggen niet de beste optie. Als die kaart houdt weet u niet wat u de tweede slag uit de hand moet spelen. Leg dus in de hand ♦10 en snijdt dus meteen op ♦B. Dit is goed bij een 3-2 zitsel in ruiten met ♦B bij oost. |