Ik heb ooit een artikel geschreven over mijn ervaringen met beginnende bridgers, die zich geregeld in het, wat ik toen noemde, 'magisch universum' bevinden. Het heeft nog niets aan actualiteit ingeboet.
Ik geef al een jaar of twintig les aan beginnende bridgers. Wat me steeds opvalt, zijn die momenten dat er wat hen betreft tussen de dertien en twintig kaarten in een kleur zitten, of dat er een welhaast oneindig aantal punten in het spel aanwezig is. Beginnende bridgers hebben de grootste moeite hun 'bridge-universum' te beperken tot veertig punten en vier keer dertien kaarten. Zo komen ze er bijvoorbeeld wel eens in slag dertien achter dat zuid maar twaalf kaarten had (omdat ze op zijn, terwijl de rest nog een slagje door wil spelen). De speler die wat vroegtijdig door zijn kaarten heen is, voelt zich dan heel dom. De rest lacht opgelucht, blij dat ze het zelf niet waren. Zuid is natuurlijk niet dom. Zuid heeft simpelweg (nog) geen overzicht over het bridgespel. Hij kijkt anders naar zijn verzameling kaarten dan bijvoorbeeld een topspeler. Een 4-3-3-2 verdeling heeft niets vreemds voor beginner zuid, een expert valt het onmiddellijk op dat er een kaart ontbreekt. Die expert 'kijkt' anders. Hij kijkt als het ware in distributie, in verdeling. Bij 4-3-3- hoort drie, geen twee. Bij 5-3-3- hoort twee. Bij 4-4-4- hoort een, bij 6-3-3- hoort een, enzovoort. Ik heb dit bij een aantal van mijn lesgroepjes getest. Ik vroeg het rijtje af te maken. Ik: '5-4-3-.....' Cursist: (Denkpauze) ... (Mompelend) 'twaalf', (hardop) 'één'. Dit illustreert de manier van denken en dus het verschil met een expert. Vrijwel alle cursisten telden de drie getallen bij elkaar op, trokken dat getal af van dertien en hadden dan het antwoord. Zo op papier staat het wat omslachtig, maar het is een redelijk accurate omschrijving van het daadwerkelijke denkproces. De getallen (kaartverdelingen) die samen dertien vormen zijn beginners nog onbekend. Je zou verwachten dat die onbekendheid van relatief korte duur is. Je wordt tenslotte bij elk spel dat je speelt op twee manieren geconfronteerd met die getallen: - de dertien kaarten die je in je handen krijgt zijn verdeeld over vier kleuren (soms zijn het er drie, heel zelden twee; de kans op slechts één kleur is verwaarloosbaar) - de dertien kaarten per kleur zijn verdeeld over de vier handen/spelers. In de praktijk blijkt die verwachting echter niet uit te komen. Geregeld zie ik dat spelers, die toch al redelijk lang spelen, deze fundamentele basiskennis missen (of niet toepassen). Ik vermoed omdat ze er nooit op gewezen zijn 'in de juiste richting' te denken. Zo denken bijvoorbeeld maar weinig spelers als ze een 4-4-fit hebben automatisch: '3-2', '4-1' of '5-0'. Ik doel hierbij op de mogelijke verdeling van die kleur bij de tegenstanders. Terwijl deze basisgedachte toch aan de wieg staat van bijna alle afspeeltheorie. wordt vervolgd |